FiscAlert juni 2010 | jrg 16 nr 6 | p.11-13
pensioen
Zijn de pensioenen uitgewoekerd?
Vooral werknemers in het MKB en zelfstandigen hebben pensioenregelingen op basis van beschikbare premie, met een soms exorbitante kostenstructuur. Het Verbond van Verzekeraars kwam met een compensatieregeling. Alleen valt die in de praktijk een beetje tegen.
Tekst: Kapé Breukelaar
In de loop van de jaren ’90 kwamen ze ineens sterk in opkomst, de zogeheten ‘beschikbare-premieregelingen’ voor de pensioenvoorziening. De tot dan toe meestal gehanteerde eindloonregeling — een geïndexeerd vast en op het laatst verdiende salaris gebaseerd pensioen —, was door de onvoorspelbaarheid van de lasten voor de werkgever al minder populair geworden. Daarom waren veel werkgevers al overgegaan naar een middelloonregeling (waarvan de lasten voor de werkgever beter voorspelbaar waren). Maar een pensioen gebaseerd op een beschikbare premie, dat was nog veel aantrekkelijker voor de werkgever. Die verplichtte zich immers slechts om een bepaalde premie te betalen voor de pensioenpolis. Zonder garanties, want de risico’s voor het rendement lagen bij de werknemer.
De komst van de beschikbare-premieregeling zorgde voor duidelijke werkgeverslasten. Bovendien leek er sprake te zijn van een winwinsituatie, omdat de werknemer volledig kon profiteren van de hoge beleggingsrendementen. Terwijl bij eind- en middelloonregelingen hoge rendementen tot lagere pensioenpremies voor de werkgever leiden waar werknemers niet of nauwelijks van profiteren. De verwachting van hoge rendementen werd nog verder gevoed door de koersontwikkelingen aan het eind van de vorige eeuw. Het persoonlijke pensioenpotje zou dan ook flink kunnen aangroeien met ingelegde premies en beleggingsrendementen. Rekenvoorbeelden waarbij prognoserendementen van 10 procent of meer werden gebruikt, waren dan ook bepaald geen uitzondering.
Achteraf bleken de beschikbare-premieregelingen vooral aantrekkelijk voor de verzekeraars. Die hielden links en rechts zo veel aan kosten in, dat er van de inleg weinig overbleef. Toen na het klappen van de internetzeepbel de beleggingsrendementen ook nog eens tegenvielen, bleek er nauwelijks iets te zijn opgebouwd. Het was schering en inslag dat polissen waarvoor aan premies een ton was gestort, niet meer dan 60.000 euro waard waren.
Nu realiseert men zich niet altijd dat uit de pensioenpremie ook de overlijdensrisicoverzekering (voor het nabestaandenpensioen) en een arbeidsongeschiktheidsverzekering (zodat de premies tot aan de pensioendatum betaald kunnen worden) moeten worden bekostigd. Maar zelfs als we daar rekening mee houden, verklaart dat nog niet het grote verschil tussen de premies en de opgebouwde waarde. Je zou kunnen denken dat het de teruggang op de beurs is, maar dat blijkt slechts in geringe mate van invloed. Wel is de kostentoedeling door de verzekeraars voor het leeuwendeel verantwoordelijk voor het grote verschil.
Kosten, kosten, kosten
Als we het over de kosten van pensioenpolissen hebben, gaat het feitelijk om dezelfde kosten als bij de ‘gewone’ woekerpolissen. Zo hebben we te maken met de zogenaamde ‘eerste kosten’, vaak meer dan één vijfde van de inleg gedurende de eerste tien jaar. Die kosten worden gebruikt voor het betalen van de provisie aan de tussenpersoon. Dan zijn er nog de ‘doorlopende kosten’, een vast bedrag per maand om de administratie van de polis van te betalen. Wat dan nog overblijft moet worden belegd. Daar werd in de regel 0,5 tot wel 5 (!) procent aankoopkosten in rekening gebracht. En ook het beleggingsfonds werkt niet voor niets, zelfs niet als dat van de verzekeraar zelf is (wat vaak het geval is): de jaarlijkse beheerkosten van zo’n fonds lopen uiteen van 0,35 tot meer dan 1 procent. Met een beetje pech slokten al deze kosten in de eerste tien jaar looptijd meer dan 30 procent van de poliswaarde op. En alsof dat nog niet genoeg was, werden vervolgens vaak nog kosten verstopt in de premies van de verzekeringen voor overlijden en arbeidsongeschiktheid. Die premies waren meestal een stuk hoger dan de premies voor vergelijkbare losse verzekeringen. U snapt dat er gedurende de eerste tien jaar van de looptijd weinig overbleef voor dat waar het allemaal om draaide: uw pensioen.
Regeling
Mede door het gedoe rondom de woekerpolissen, voelde het Verbond van Verzekeraars (VvV) de hete adem van de publieke opinie in zijn nek. Dus besloten de verzekeraars een regeling te ontwikkelen voor de woekerpensioenen van alle bij de verzekeraars afgesloten pensioenen. Simpel gezegd mag een verzekeraar tot 2010 niet meer dan 9,5 procent van de premie aan kosten in rekening hebben gebracht, plus jaarlijks maximaal 1,5 procent over het opgebouwde kapitaal. Daarmee is deze regeling iets beter dan de Wabekenorm die voor de gewone woekerpolissen geldt. Het Verbond van Verzekeraars mag echter geen afspraken maken voor de toekomst, daar heeft de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) een stokje voor gestoken. De afspraak geldt dus alleen voor polissen van vóór 2010.
Wat levert het op?
Minder dan u denkt. Onder de compensatieregeling kunnen de kosten nog steeds oplopen tot meer dan 30 procent van de inleg (exclusief de premies voor overlijdens- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen). Een voordeel is wel dat in de berekening de kosten gelijkmatig verdeeld worden over de looptijd. Daardoor wordt de kans groter dat er toch wat rendement wordt gemaakt. Onlangs rekende ik een polis door waarbij het eindkapitaal onder de nieuwe regeling uiteindelijk zo’n 6 procent hoger zou uitkomen dan zonder de regeling, terwijl de kosten ten opzichte van de inleg omhoog gingen van ongeveer 28 procent naar ruim 30 procent. Het hogere eindkapitaal is te danken aan de gelijkmatiger verdeling van de kosten over de looptijd: minder kosten aan het begin van de looptijd zorgt ervoor dat er sneller rendement kan worden gemaakt.
Ter vergelijking heb ik eens gekeken wat een voordelige aanbieder als Brand New Day rekent over een periode van 30 jaar. Daar blijken de totale kosten uit te komen op iets meer dan 9 procent van de inleg. Een verschil van meer dan 20 procent aan kosten levert uiteindelijk een 30 procent hogere uitkering op voor uw oude dag. Helaas biedt Brand New Day alleen lijfrenteproducten en geen pensioenoplossingen. Het wordt dus hoog tijd dat ze daar ook eens in duiken.
Alternatief
Het Verbond van Verzekeraars stelt dat de jaarlijkse kosten van 1,5 procent in lijn zijn met de kosten van een gemiddeld beleggingsfonds. Daar zet ik mijn vraagtekens bij. Binnen de meeste pensioenpolissen kun je kiezen uit rechttoe-rechtaan beleggingsfondsen in aandelen en obligaties. Op basis van een steekproef van tien beleggingsfondsen kom ik tot een gemiddelde total expense ratio (TER, ofwel de binnen de beleggingsfondsen gemaakte kosten die op het rendement drukken) van 1,0 procent (zie tabel), waarbij opgemerkt moet worden dat de aandelenfondsen duurder zijn dan de obligatiefondsen. Met die kosten in het achterhoofd zou een norm van 1,0 procent aan jaarlijkse kosten plus 5 procent van de inleg (voor dekking van overige kosten) een eerlijker oplossing zijn. De gemiddelde kosten ten opzichte van de inleg dalen dan van 31 naar 21 procent. Doorgerekend over 30 jaar levert de alternatieve oplossing ruim 15 procent méér pensioen op dan de compensatieregeling die nu gepresenteerd is.
Kleine groep
Het Verbond van Verzekeraars heeft berekend dat zo’n 15 procent van de pensioenpolissen in aanmerking komt voor compensatie. Snel gerekend gaat het dan om zo’n 225.000 polissen die 200 miljoen euro kunnen verdelen, ofwel een compensatie van een kleine 900 euro per polis. De overige 1.275.000 polissen blijven binnen de kostennorm, vindt het VvV. Je zou dus denken dat het om een kleine groep gedupeerden gaat, maar als de kostennorm wat scherper zou zijn — zie mijn opmerkingen hiervoor — komt een veel grotere groep in aanmerking voor compensatie.
Met name binnen het MKB werden dure, zogenaamde ‘semi-collectieve contracten’ gesloten met tussenpersonen en ook zelfstandig ondernemers betaalden aanzienlijk meer voor hun pensioenvoorziening dan de grotere werkgevers die rechtstreeks met de verzekeraar de kosten uitonderhandelden. In de praktijk gaat het dus vooral om pensioenregelingen van kleinere werkgevers en zelfstandigen. Werknemers die ooit zijn overgestapt van de ene naar de andere werkgever, krijgen op grond van de norm maar een beperkte compensatie, terwijl een veel logischer oplossing zou zijn dat bij een tussentijdse wisseling van werkgever de kostennorm wordt losgelaten op de jaren die zijn volgemaakt. Die polissen worden echter fictief premievrij voortgezet en vervolgens doorgerekend tot de einddatum, waarbij, zo vindt het VvV, mag worden uitgegaan van 1,5 procent aan jaarlijkse kosten. Maar op die manier ontstaat er een achterdeur om de hoge eerste kosten weg te moffelen. Als uw verzekeraar op een premievrije polis per jaar 1 procent kosten rekent, hoeft de verzekeraar de hoge kosten van het begin niet of nauwelijks te compenseren. Hij heeft immers de ruimte om niet 1 maar 1,5 procent te rekenen.
LET OP: De nieuwe Pensioenwet is alleen van toepassing op polissen van 2007 en later. Wie een polis heeft van vóór 2007 zal nog zwaar in de buidel moeten tasten.
Wat nu?
Het zijn vooral de werknemers bij kleinere bedrijven en de zelfstandigen die in aanmerking komen voor compensatie. Bij grotere bedrijven blijven de kosten van het beschikbare-premiepensioen vaak binnen de perken, omdat de werkgever ze met de verzekeraar heeft uitonderhandeld.
Heeft u ook een beleggingspensioen? Zorg dan eerst dat u goed weet wat de kosten zijn binnen uw regeling. Dit moet vermeld staan op het jaarlijkse ‘uniform pensioenoverzicht’ (UPO). Blijkt dat een groot deel van uw inleg op gaat aan kosten, trek dan aan de bel bij uw werkgever. Deze moet dan terug naar de onderhandelingstafel en met de tussenpersoon of verzekeraar betere afspraken maken.
Bent u zelfstandig ondernemer, dan kunt u het allemaal zelf regelen. U kunt eenvoudig overstappen naar een andere aanbieder of kiezen voor een goedkoper alternatief, bijvoorbeeld uw pensioenregeling inruilen voor een voordelige bancaire lijfrente.
Kapé Breukelaar FFP is financieel planner en partner van Capital Consult & Coaching te Amsterdam ZO (www.capitalconsult.nl)
Voor de volledigheid:
Op www.allesoververzekeren.nl/veelgestelde-vragen/beleggingspensioen/vragen-over-beleggingspensioen vindt u een overzicht van wat de verzekeraars u willen laten weten over beleggingspensioenen.
KOSTEN EN BATEN
Welk deel van uw inleg uiteindelijk opgaat aan kosten bij een looptijd van 30 jaar, hangt af van de jaarlijkse kosten. Zelfs bij kleine verschillen op jaarbasis kan het uiteindelijke verschil enorm groot zijn.

WAT KOST EEN BELEGGINGSFONDS?
Een overzicht van de total expense ratio van diverse beleggingsfondsen. De gemiddelde kosten van beide categorieën samen bedragen 0,97%.
|
aandelenfondsen |
TER |
|
Robeco |
1,13% |
|
ING Global Fund |
1,39% |
|
Delta Lloyd Investment Fund |
1,13% |
|
SNS Wereld Aandelenfonds |
1,05% |
|
OHRA Aandelenfonds |
1,15% |
|
gemiddelde TER |
1,17% |
|
obligatiefondsen |
TER |
|
Rorento |
0,79% |
|
ING Euro Obligatiefonds |
0,87% |
|
Delta Lloyd Rentefonds |
0,75% |
|
SNS Euro Obligatiefonds |
0,70% |
|
OHRA Obligatiefonds |
0,77% |
|
gemiddelde TER |
0,78% |
GROTE WERKGEVERS, KLEINE KOSTEN?
Grote werkgevers hebben de kosten van hun pensioencontracten veelal direct uitonderhandeld met de verzekeraars, waardoor de kosten binnen de nieuwe norm blijven. Dat lukt ook makkelijker, omdat de tussenpersoon wordt omzeild of een vast bedrag per jaar krijgt voor het afwerken van de pensioenzaken. Niettemin zijn er voorbeelden van snel gegroeide bedrijven die nog jarenlang de hoge kosten betalen van een semi-collectieve regeling. Het controleren van de kosten is dus geen overbodige luxe.
BETALEN, BETALEN?
Een pensioen op grond van beschikbare premie was vooral ongunstig voor mensen die vaak van baan wisselden, omdat ze elke keer weer met de hoge kosten aan het begin van de looptijd werden geconfronteerd. Uit het persbericht dat het Verbond van Verzekeraars op 23 maart 2010 deed uitgaan, blijkt dat er 1,5 miljoen pensioenpolissen zijn voor 750.000 werknemers. Gemiddeld zijn er dus de laatste vijftien tot twintig jaar per persoon al twee polissen gesloten. Met een beetje pech bent u dus van werkgever gewisseld, heeft u de hoge ‘kosten’ in het oude contract volledig betaald en bent u binnen het nieuwe pensioencontract gewoon weer van voren af aan begonnen met betalen. Alleen in het geval dat de nieuwe werkgever bij dezelfde verzekeraar een pensioencontract had lopen, was dat soms anders. Met de invoering van de Pensioenwet van 2007 is het verrekenen van hoge kosten aan het begin van de looptijd aan banden gelegd. Sindsdien zijn verzekeraars wettelijk verplicht de kosten gelijkmatig over de looptijd van de overeenkomst te verrekenen.




