05 juni 2014

Alles over de hypotheekrenteaftrek

FiscAlert juni 2014 | jrg 20 nr 6 | p.20-23

huis & hypotheek

Alles over de hypotheekrenteaftrek

Er is de afgelopen jaren flink gesneden in de hypotheekrenteaftrek. Wat is er allemaal gewijzigd en wat staat ons nog te wachten? Een overzicht.

Tot en met 1995 was de hypotheekrente onbeperkt aftrekbaar en dat was fijn voor sommigen. Wie geld nodig had voor een boot, een tweede huis, een al dan niet dure auto, aandelen of wat dan ook, kon de overwaarde van het eigen huis benutten en de fiscus betaalde vrolijk mee. Een telefoontje naar de bank, een afspraak voor een taxatie, een retour naar de notaris en dan stond het geld op de privé-rekening en kon de rente integraal worden afgetrokken.
Rond de tijd dat het eerste nummer van FiscAlert verscheen (in april 1995) kwamen de eerste signalen dat die royale aftrekmogelijkheid zou worden beknot. Maar zoals het in de politiek zo vaak gaat, duurde het nog even voordat de daad bij het woord gevoegd was. Pas op 1 januari 1997 werd de aftrekbaarheid van de rente voor consumptieve leningen beperkt tot maximaal 5.000 gulden (2.269 euro) per kalenderjaar (het dubbele per echtpaar). Uit praktische overwegingen bleef de hypotheekrenteaftrek van alle op 31 december 1995 bestaande hypotheken echter staan als een huis. Het maakte voor die groep hypotheken dus niet uit waarvoor de lening destijds was gebruikt (en dat geldt nog steeds!).
In december 1997 kwam het Financiën met de mededeling dat Zalm en Vermeend het belastingstelsel ingrijpend wilden hervormen per 2001 of 2002. Maar al vrij snel werd duidelijk dat de plannen voor een nieuw belastingstelsel niet inhielden dat er in het oude belastingstelsel niets meer zou worden gewijzigd. In 1999 wordt opnieuw een aftrekmogelijkheid beperkt, ditmaal betreft het de aftrek van de zogenaamde ‘productieve rente’ voor beleggingen. Primair lag de oorzaak daarvan bij de enorm populaire aandelenleaseproducten, maar ook het feit dat veel mensen hun hypotheek verhoogden om met de overwaarde te beleggen gaf de nodige druk. Aangezien de rente aftrekbaar was terwijl het rendement — dat vooral uit koerswinst zou bestaan, althans dat was de bedoeling — grotendeels onbelast was, moest hier wel een einde aan worden gemaakt.

Boxenstelsel
Op 1 januari 2001 wordt het nieuwe belastingsysteem ingevoerd: het boxenstelsel. In box 1 wordt het inkomen uit werk en woning belast met het progressieve tarief. In box 2 het inkomen uit aanmerkelijk belang (5 procent of meer aandelen in een NV of BV), belast met, in principe, 25 procent (in 2014 zijn dividenden tijdelijk belast tegen 22 procent voor de eerste € 250.000). In box 3 wordt het fictieve rendement (geschat op gemiddeld 4 procent) over alle vermogensbestanddelen boven een vrijstelling (min de schulden boven een bepaalde drempel), belast met 30 procent. Het nieuwe belastingstelsel is zó simpel en doeltreffend dat FiscAlert, zo was de voorspelling van sommigen, wel zou kunnen opdoeken.
Door de verschuiving van het tweede huis, de beleggingen en eventuele leningen daarvoor en andere consumptieve leningen naar box 3 werd de aftrek van rente voor beleggen, een tweede huis, of consumptieve uitgaven volledig afgeschaft. Alleen de aftrek van hypotheekrente voor de eigen woning is, als een van de weinige posten, overgebleven. Leo Stevens (als hoogleraar fiscaal recht betrokken bij dit ambitieuze Belastingplan voor 2001) had de eigen woning plus de bijbehorende hypotheek destijds liever direct al naar box 3 willen verhuizen. Achteraf gezien was dat misschien ook wel beter geweest, want de extreme stijging van de huizenmarkt aan het eind van de jaren 90 werd voor een belangrijk deel veroorzaakt door de royale aftrekregeling voor hypotheekrente.

30-jaarstermijn
De hypotheekrenteaftrek voor de eigen woning bleef dus, maar werd met de invoering van het nieuwe belastingstelsel wel beperkt. Sinds 2001 is de hypotheekrente ‘nog maar’ 30 jaar aftrekbaar en deze bepaling geldt voor alle hypotheken, dus ook voor aflossingsvrije varianten. Hypotheken van vóór 1 januari 2001 krijgen een 30-jaarstermijn vanaf 1 januari 2001: afgaande op de huidige regelgeving blijft de renteaftrek voor deze hypotheken dus in stand tot en met 2030.
Het invoeren van de 30-jaarstermijn was niet de enige beperking: wie tot en met 2000 de hypotheekrente niet betaalde maar bij de schuld liet schrijven, kon de hypotheekrente over de extra schuld ook aftrekken. Sinds 2001 wordt rente over rente voor de eigen woning niet meer beschouwd als rente over een eigenwoningschuld maar als consumptieve rente. Sterker nog, alleen rente over renteschulden die vóór 1 januari 1996 werden bijgeschreven, mag vanaf dat moment nog integraal worden afgetrokken. Rente over in 1996 tot en met 2000 bijgeschreven rente is dus sinds 2001 niet meer aftrekbaar.

Bijleenregeling